Gaat Nederland eindelijk transparanter worden?

De gekuiste briefjes rond de MH17 zijn een van de vele illustraties dat overheidstransparantie in Nederland nog wel wat ruimte voor verbetering heeft. Die verbetering komt er eindelijk als de Tweede Kamer een nieuwe wet serieus neemt.

Wie transparantie van de overheid wil, zal in veel gevallen een ingewikkeld gevecht met de overheid aan moeten gaan. Al schrijft de wet voor dat over documenten moet worden beslist als ze beschikbaar zijn, gebeurt dat niet. Sterker nog: alle wettelijke termijnen worden vaak overschreden. Zonder inhoudelijk kennis geen inhoudelijk debat en dat is voor bestuurders lekker rustig. Wie vervolgens toch zijn recht gaat halen wordt door de overheid geframed als misbruiker.

Komiek

En als er wel een besluit wordt genomen dan is transparantie vaak ver te zoeken. Of het nu gaat of het ontslag van Professor Maat in het onderzoek naar de MH17 of over de vraag wat een gebroken been in welk ziekenhuis kost vaak is transparantie moeilijk te verkrijgen.

Het niet transparant zijn is zo schering en inslag geworden dat cabaretier Mark Rutte zijn partijgenoot Ard van der Steur op dat punt op de hak neemt tijdens het Correspondents Diner:

Het was geen goed idee om Ard van der Steur mijn tekst te laten schrijven.

Vervolgens houdt hij een zwartgelakte pagina omhoog.

‘Van der Steur kon er niet zijn vanavond. Hij biedt daarvoor zijn welgemeende excuses aan.’

Precies zoals het ging rond de gebrekkige transparantie. Alleen van de aan de kamer beloofde verbeteringen, is weinig merkbaar. Daar is duidelijk nog een steuntje in de rug nodig.

Nieuwe wet

Gelukkig kan er veel verbeteren, omdat er een nieuwe wet in aantocht is. De Wet open overheid ligt al sinds juli 2012 op de plank bij de Tweede Kamer, maar komt donderdagavond eindelijk weer ter sprake. De wet regelt dat een aantal knelpunten worden opgelost.

Werden – ondanks de digitalisering – de wachttijden op een besluit over documenten verdubbeld naar 56 dagen, in de nieuwe wet worden die verkort. Betere digitalisering moet eerder besluiten mogelijk maken. Ook het smoezenboek om informatie maar niet openbaar te maken, wordt drastisch ingeperkt.

Maas in de wet

Maar de belangrijkste wijziging wordt wel dat meer organisaties aan transparantie moeten voldoen. De nieuwe wet stopt een maas in de wet waar de overheid gretig gebruik van maakt: Door een stichting of vereniging op te richten, vallen de documenten van die organisatie niet automatisch onder het transparantie regime. Ook moet eindelijk de Tweede Kamer zelf transparanter worden.

De nieuwe wet biedt veel nieuwe kansen om transparanter te worden. Natuurlijk kan het veel beter, maar dit is een begin. Het dwingt de politieke partijen nu ook kleur te bekennen: blijven we transparantie lippendienst bewijzen of gaan we nu eindelijk wat achterstallig onderhoud doen?

Wanneer wordt de Nederlandse geheimzinnigheidscultuur eens onderzocht?

Wie ooit gebruik heeft gemaakt van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) weet dat veel overheidsorganen zich uit de naad werken om te voorkomen dat de waarheid boven tafel komt. Misschien is het tijd rond transparantie niet de burger te onderzoeken, maar de overheid.

Als er één dossier met onzinnige geheimzinnigheid is omgeven dan is het wel de aanslag op de vlucht MH17. Op vage gronden wordt veel informatie geweigerd of worden kamervragen in het geheel niet beantwoord. Neem bijvoorbeeld het ontslag van professor George Maat. De forensisch expert gaf presentatie met foto’s van het onderzoek naar de MH17 en werd daarom ontslagen.

Veel doorhalen

De Tweede Kamer vroeg om opheldering door documenten te krijgen. Al bestaat dat recht op basis van de grondwet toch ging de minister zich opeens verschuilen achter de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Veel documenten waren goeddeels gekuist, want volgens de wet zou niet alles openbaar kunnen worden.

Daarna kreeg professor Maat na veel vijven en zessen eindelijk inzage in het onderzoek over hem. De eerste keer dat Maat inzage had in zijn heel dikke dossier was er slechts een uur tijd inclusief een voorgesprek en kon hij niets doen. Pas bij een moeizame tweede poging kreeg hij weer inzage en schreef hij alles over. Dit was de enige manier om het openbaar te maken. Het resultaat zette hij online. Wat opvalt is dat op basis van de Wob er nogal wat is aan te merken op het zwart maken van veel informatie. Ik geef drie voorbeelden:

Ten eerste: het weigeren van simpele feiten. De passage:

Op donderdag 23 april werd op last van de minister van Veiligheid en Justitie de samenwerking met professor Maat beëindigd.

wordt geweigerd. Maar welke grondslag op de Wob hier met succes zou opgevoerd kan worden is mij een compleet raadsel. Dit is toch echt een besluit van de hoogste bestuurder op een departement. Maar misschien had de geheimzinnigheid weinig te maken met de regels van de Wob, maar meer met het verdoezelen van een discrepantie met deze kamervragen van CDA en D66 waar de Minister schreef bij vraag 21:

Na de uitkomsten van het interne onderzoek heeft de korpschef vervolgens bepaald dat de samenwerking met professor Maat in dit identificatieproces werd beëindigd.

Een tweede voorbeeld is de interne beraadslaging. Veel gegevens uit het ‘rapport van relaas’ onder andere geweigerd op basis van zogenaamde stukken opgesteld voor interne beraadslaging. Dat is een uitzonderingsgrond die ambtenaren de ruimte moet geven om een persoonlijke mening te geven zonder dat iedereen die te zien krijgt. Prima. Maar een ‘rapport van relaas’ is een proces verbaal. Dat gaat om feiten niet om meningen. Is dit een gelegenheidsargument of is naar een conclusie toegewerkt?

Zo werden meer feitjes en weetjes geweigerd:

Uit onderzoek is mij, rapporteur, gebleken dat er op intranet een “presentatie voor collega’s” staat. In deze presentatie staan geen foto’s die herleidbaar zijn naar slachtoffers. Op intranet is te zien dat het bericht op 9 april is gewijzigd.

Dat is wel een belangrijk weetje, omdat er een standaard presentatie was en professor Maat dus helemaal niet zijn boekje te buiten was gegaan. Dat roept de vraag op of dit een stukje tekst van intern beraad was of de echte grond van weigering was ‘omdat het de minister schaamrood op de kaken geeft’?

Een foutief beroep op privacy. Her en der worden namen van ambtenaren gezwart om ‘de persoonlijke levenssfeer’ te beschermen. Bij de Wob is dat inderdaad onder omstandigheden mogelijk, maar niet als het gaat om ambtshalve functioneren. Dus een politieambtenaar die een rapport opstelt, een korpschef, een operationeel hoofd LFTO (Landelijk Team Forensische Opsporing) of andere teamleiders zijn mensen die een functie bekleden, waarbij belangrijk is te kunnen herleiden wat zij doen. Dat heeft niets met privacy te maken maar met ambtshalve functioneren.

Dit zijn evident voorbeelden, waarbij doelgericht wordt gewerkt aan het tegenwerken van transparantie. Of minder vriendelijk gezegd: het verdoezelen van de waarheid.

Misbruik

Ondertussen wordt keer op keer geroepen dat de burger misbruik van de Wob maakt. Op kosten van de belastingbetaler wordt naar dat ‘misbruik’ onderzoek gedaan. Maar naar het misbruik door de overheid wordt geen onderzoek gedaan. De laatste vijfjaarlijkse analyse naar de werking van de wet stamt al weer uit 2004.

Misschien zou het goed zijn dat de Tweede Kamer beseft dat zij een grondwettelijk recht op informatie hebben en zich niet met een vertrouwelijke inzage laten afpoeieren. Het parlement hoort zich niet als een soort ‘Wob-misbruikende burger’ met een kluitje in het riet te laten te sturen. Nee. Een actief parlement start nou eindelijk eens een onderzoek naar echt Wob-misbruik en moeizame informatievoorziening.

De regering begint 2016 ronduit goed!

Eindelijk geeft Nederland aan hoe we omgaan met versleuteling op internet. De keuze is lastig, omdat opsporingsbelangen botsen met een vrij internet. Minister Ard van der Steur begint het jaar goed door een duidelijk keuze te maken: versleuteling is te belangrijk om stuk te maken.

Dat blijkt uit een brief aan de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Lastig probleem

Om vertrouwelijk te communiceren, wordt op internet gebruik gemaakt van encryptie. Daardoor kunnen we veel veiliger financiële transacties doen, persoonlijke communicatie beschermen, blijven bedrijfsgeheimen vertrouwelijk en kunnen ook overheden veilig communiceren. In een digitale wereld heb je dat nodig om vertrouwd zaken te kunnen doen.

Aan de andere kant is er een roep om juist de versleuteling te verzwakken door achterdeurtjes in te bouwen of de sleutels aan de overheid te geven. Zo kunnen bij belangrijke opsporingsonderzoeken vertrouwelijke gegevens toch worden achterhaald. Vooral na aanslagen of bij kinderporno wordt die oproep veel gedaan.

Haken en ogen

Maar het probleem van achterdeurtjes is dat ook een kwaadwillende die kan achterhalen. Door software te analyseren, in te breken bij overheden of in sommige gevallen netwerkverkeer te analyseren, krijgen onbevoegden dan ook toegang tot de gegevens. Als je cryptografie verzwakt dan schaadt je daarmee de werking van de technologie. Een beetje stuk voor alleen een goedwillende overheid bestaat niet.

Het stuk maken van technologie heeft het grote gevaar dat deze technologieën op een gegeven moment niet meer zijn te gebruiken. Je kunt dan niet meer vertrouwd een financiële transactie doen, niet meer vertrouwen op bepaalde systemen en uiteindelijk raakt dat het vertrouwen in de digitale economie (online bestellen, online betalen, informatie opslaan in de cloud, enzovoort).

De vraag is dus of je nog open voor business bent als de onderliggende technologie is beschadigd. Waarom zou een bedrijf uit het buitenland de informatie in Nederland opslaan als een buurland de mogelijkheid biedt om wel veilig te werken? De risico’s die je loopt met het verzwakken van versleuteling zijn enorm.

Keuzes maken

De keuze die eigenlijk voorligt is de vraag wat belangrijker is: een digitale samenleving hebben en houden of een overheid – in theorie – altijd toegang tot alle informatie bieden. Daarbij moeten we ons wel beseffen dat een beetje crimineel zich niet zou houden aan de regel dat cryptografie verzwakt moet zijn en je uiteindelijk de goedwillende burger benadeelt.

Minister Ard van der Steur begint het jaar 2016 goed in zijn brief aan de Tweede Kamer die keuze duidelijk te maken voor een vrij internet en niet cryptografie stuk te maken:

“Het kabinet heeft tot taak de veiligheid van Nederland te waarborgen en strafbare feiten op te sporen. Het kabinet onderstreept hierbij de noodzaak tot rechtmatige toegang tot gegevens en communicatie. Daarnaast zijn overheden, bedrijven en burgers gebaat bij maximale veiligheid van de digitale systemen. Het kabinet onderschrijft het belang van sterke encryptie voor de veiligheid op internet, ter ondersteuning van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van burgers, voor vertrouwelijke communicatie van overheid en bedrijven, en voor de Nederlandse economie.

Derhalve is het kabinet van mening dat het op dit moment niet wenselijk is om beperkende wettelijke maatregelen te nemen ten aanzien van de ontwikkeling, de beschikbaarheid en het gebruik van encryptie binnen Nederland. In de internationale context zal Nederland deze conclusie en de afwegingen die daaraan ten grondslag liggen uitdragen.”

Winst

Op dit dossier kiest de regering voor een vertrouwde digitale samenleving. Dat is goed nieuws en winst. Nu hopen dat met dit standpunt ook Minister Plasterk zijn wetsvoorstel voor de inlichtingendiensten aanpast. Hij eiste onder omstandigheden ook verzwakking van cryptografie.

Overigens is daarmee niet alles veilig voor de criminelen, want als het aan de regering ligt wordt het wel mogelijk op computers in te breken en zo bij gegevens te komen vóór ze worden versleuteld.